18 juni 2026

Eens in de zoveel tijd krijgt mijn echtgenoot de aandrang om iets schoon te maken. Prima, ga lekker je gang, denk ik dan, ik heb daar geen last van. Laatst stortte hij zich weer eens op het zilver poetsen, een klusje waar ik nooit op zit te wachten en hij is er beter in dan ik.  

In een van de zilveren voorwerpen, een vaas, ooit door hem in een opwelling gekocht, heb ik in mijn herinnering tig jaren geleden een bos nep rozen gefrunnikt. Een rotklus, want ik moest de vaas eerst verzwaren met plastic kiezels, om te voorkomen dat het hele gevaarte omkieperde en de vaas een deuk opliep. Eerlijk gezegd laat ik de vaas dus liever zwart worden dan alles telkens opnieuw schikken. Ik ben nu eenmaal geen groot poetser. De rozen hadden inmiddels een hoeveel stof vergaard waar zelfs ik me aan begon te storen. De kleur was dan ook veranderd van dieprood naar lichtroze. 

Zucht, hij had gelijk. Dit moest anders. Terwijl hij in de keuken als een tornado- zilverpoets-man in de weer ging, reinigde ik de rozen buiten met een plantenspray en liet ze twee dagen goed drogen voor ik ze weer in de vaas schikte. 

Mijn buurvrouw kwam op bezoek. Toen ze erachter was gekomen dat het neprozen waren, had ze aan mij gevraagd hoe ik die rozen eigenlijk kon schoonmaken en ik had haar vraag gezellig weggewuifd met een ander onderwerp. 

Vol trots liet ik haar nu mijn buitengewoon schone ‘project’ zien.  Waarop ze keihard begon te lachen.

Wat bleek? De eerste keer dat ze bij mij ‘officieel’ op bezoek kwam, om kennis met mij te maken, zag ze in een flits de vaas vol rozen, in volle pracht en praal. Blijkbaar toen nog redelijk schoon. Een week later kwam ze toevallig weer even langs, met een bliksembezoekje, en ja hoor, weer diezelfde prachtige rozen. 

’s Avonds zei ze bloedserieus tegen haar echtgenoot: ‘Wat een romantische echtgenoot heeft onze buurvrouw, elke week krijgt ze van hem een bos rozen!’ 

Hmmm.