Gastblog oma Bobje: mijn eerste kraamtijd

‘Mam,’ zei mijn dochter, ‘ik heb met Sofieke zo’n aparte kraamtijd gehad. Eerst de periode in het ziekenhuis, met alle zorgen die we toen om haar hadden, en daarna het Coronavirus. Hoe was vroeger jouw kraamtijd?’

Mijn eerste kraamperiode

Tja, met vier kinderen werd het telkens een andere kraamtijd. Met het oudste kind was ik er na de hoge tangverlossing zelf behoorlijk kwakkelig aan toe. Ik moest toen langer in het ziekenhuis blijven om te herstellen, in totaal tien dagen, oervervelend. Wat me toen eigenlijk ook goed uitkwam, want onze dochter was doodziek en mocht aanvankelijk niet mee naar huis. Ze had drie kwart van haar bloed tijdens de zwangerschap verloren, heel geleidelijk aan. Een wonder dat ze het allemaal overleefd heeft. Een keer per dag  strompelde ik met al mijn hechtingen de trap op naar de couveuse-afdeling, om naar haar achter een glazen wand te mogen staren. Alleen kijken, niet aanraken, handjes op de rug, zo voelde het. Ik had haar nog niet één keer mogen vasthouden. Elke dag viel die trap naar boven me steeds zwaarder, alsof ik met een marathonwedstrijd bezig was. Ik hijgde en pufte en zwoegde me omhoog. 

Verdrietig

Ik herinner me nog mijn verdriet en boosheid, toen de gynaecoloog op een van die dagen  zijn ronde deed, met de hoofdzuster en andere meehobbelaars in zijn kielzog. Ik voelde me uitgerekend die ochtend erg beroerd en had ook nog eens mega slecht geslapen. Bovendien stond mijn echtgenoot op het punt werkeloos te raken, het bedrijf waar hij werkte was overgenomen door een Amerikaans bedrijf en zijn baan stond op de tocht.  Hij zag er vermoeid en mager uit, want hij vergat in al zijn zorgen gewoon te ETEN! Die eigenschap kende ik van hem. Daar kwam nog bij dat onze eersteling bleef hangen op een zwak status quo en ik merkte dat mijn conditie eigenlijk steeds meer achteruitging. Gevolg: huilbui bij een empatische broeder die me troostte. 

Lees ook: Hoe een grooutouder genoemd wordt

Boos

Ik was gelukkig bijna klaar met mijn verdriet, toen de gynaecoloog mijn kamer binnenzeilde, met autoritair opgestreken veren als een trotse pauw. ‘Oh, ik zie het al,’ zei hij kortaf tegen de hoofdzuster, ‘ geef haar maar huppeldepup.’ Ik vroeg met verstikte stem wat dat was? ‘ Het bleek een soort kalmeringsmiddel of antidepressivum te zijn. Later werd me uitgelegd dat deze arts bang was voor zwangerschapsdepressies. Ik herinner me nog goed hoe kwaad ik toen werd. Ik zei met verstikte stem dat ik het achterlijk vond dat ik NIET zou mogen huilen, met een bijna werkeloze echtgenoot en een eersteling in de couveuse en ikzelf nog te beroerd om fatsoenlijk die ROTRAP op te klimmen! En ondertussen maar kolven alsof ik de melkkoe van de eeuw zou moeten worden! Begreep hij niet dat ik me gewoon ROT voelde? Ik knalde van de koppijn en stond te trillen op mijn benen, kotsmisselijk van de duizeligheid, als ik boven was aangekomen en dan wilde hij mij ook nog eens PLATSPUITEN? 

‘U mag weigeren, hoor!’ zei de hoofdzuster vriendelijk tegen mij. Wat ik dus volmondig deed.

De gynaecoloog keek me peinzend aan en zei toen tegen de hoofdzuster: ‘Heeft u het bloed van mevrouw al een keer gecontroleerd? Mevrouw ziet wel erg wit.’

Gevolg

Hoe het afliep? Een uur later kreeg ik een bloedinfuus -vanwege zware bloedarmoede- en ijzerinjecties en staalpillen en verzorgde de afdeling elke avond dat mijn echtgenoot en ik samen een warme maaltijd konden eten. Na een kleine twee weken mochten de baby en ik naar huis en vormden we eindelijk het gezinnetje waar we zo naar uitgekeken hadden. 

Uitgelichte afbeelding: Shutterstock

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.